Kanker en zwangerschap

 

 

 

Language:
English
Nederlands

 

Onderzoek naar kanker tijdens zwangerschap: 

chemotherapie aan zwangere vrouw heeft geen nadelige gevolgen voor kind

Aan de K.U.Leuven leidt professor Frédéric Amant het onderzoek naar de behandeling van kanker bij zwangere vrouwen en de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van hun kinderen. In haar doctoraatsproject over chemotherapie tijdens zwangerschap stelt Kristel Van Calsteren een aantal nieuwe wetenschappelijke bevindingen voor.

Kristel Van Calsteren komt tot de conclusie dat kinderen die tijdens de zwangerschap blootgesteld worden aan chemotherapie, geen hogere kans hebben op aangeboren afwijkingen. Ook op langere termijn ondervinden de kinderen geen zichtbare hinder.

Een eerste verklaring voor deze geruststellende bevinding is dat de placenta voor de meeste onderzochte producten als filter functioneert en de foetus beschermt tegen de schadelijke effecten van chemotherapie. Een tweede relevant gegeven is dat chemotherapie niet wordt toegediend tijdens de meest kwetsbare periode van een zwangerschap, met name het eerste trimester. Samen met een team van kinderartsen en psychologen werden 64 kinderen onderzocht. Dit onderzoek is een absolute primeur.

In Vlaanderen stellen artsen jaarlijks bij een 60-tal vrouwen kanker vast tijdens hun zwangerschap. In Europa worden naar schatting 3000 tot 5000 zwangere vrouwen met kanker geconfronteerd. De behandeling is een hele uitdaging, want artsen moeten zowel rekening houden met de genezing van de moeder, als met het welzijn van het ongeboren kind. De bestaande medische expertise en ervaring blijft nog steeds beperkt. 

In 2004 werd een bijzonder onderzoeksproject opgestart om een beter inzicht te verwerven in deze complexe problematiek.

- In het eerste deel van dit project werden de behandelingen bestudeerd die vandaag worden toegepast bij zwangere vrouwen met kanker. Bovendien werd onderzocht welke invloed deze therapieën hebben op het verloop van de zwangerschap en de gezondheid van het kind bij de geboorte. 

- Het tweede deel was van farmacologische aard, met aandacht voor de ‘farmacokinetiek'  van chemotherapeutica bij zwangere vrouwen (dit is de opname, de verwerking en de verdeling van de medicatie in het lichaam) en voor het ‘transplacentair transport' van deze medicatie (het transport doorheen de placenta) naar de foetus. 

- Het derde deel richtte zich op de effecten van prenatale blootstelling aan chemotherapie op de algemene en neurologische ontwikkeling van het kind.

Voor het eerste deel van dit onderzoek werd een internationale samenwerking opgezet met verschillende ziekenhuiscentra.  De onderzoekers konden uit hun registratiestudie besluiten dat bij zwangere vrouwen dezelfde kankers voorkomen als bij niet-zwangere vrouwen van dezelfde leeftijd. Zwangerschap is op zich bijgevolg geen risicofactor.  Wel bleek dat de helft van de zwangere vrouwen met kanker vroegtijdig waren bevallen. De bevalling werd vaak ingeleid. Dit resulteerde in een groot aantal opnames van pasgeborenen op de neonatale afdeling. De onderzoekers pleiten er daarom voor dat deze moeders best behandeld worden door een multidisciplinair team, in een ziekenhuis met een afdeling voor ‘hoog risico verloskunde' en neonatale zorgen.

Bij welbepaalde types van kanker en ook bij welbepaalde kankerbehandelingen kwam groeivertraging in de baarmoeder voor, maar de kinderen bleken deze vertraging na de geboorte wel in te halen. Belangrijkste vaststelling is evenwel dat het aantal en de aard van de aangeboren afwijkingen niet anders zijn wanneer de moeder chemotherapie toegediend kreeg. Deze geruststellende bevindingen worden binnenkort gepubliceerd in het toonaangevende wetenschappelijk tijdschrift ‘Journal of Clinical Oncology'.

In de tweede fase van het doctoraatsonderzoek werd de ‘farmacokinetiek' van chemotherapeutica tijdens de zwangerschap onderzocht, en ook het transport doorheen de placenta.  Een zwangerschap wordt gekenmerkt door belangrijke lichaamsveranderingen die de opname en verdeling van medicatie in het lichaam kunnen beïnvloeden. Een zwangere vrouw heeft meer bloedvolume en houdt gemakkelijker vocht op. De zwangerschap beïnvloedt ook de werking van lever en nieren. De impact hiervan op de toegediende chemotherapie werd nooit eerder onderzocht.

Het proefschrift van Kristel Van Calsteren toont aan dat deze fysiologische zwangerschapsveranderingen resulteren in lagere maximumconcentraties van chemotherapie en in een verminderde blootstelling aan de chemotherapie. Uit de resultaten bleek dat de medicatie over een groter volume wordt verdeeld en daarna ook sneller uit het lichaam wordt verwijderd. Verder onderzoek is nodig om na te gaan of de middelen hierdoor minder effect op de tumor zouden hebben, en dus te evalueren of chemotherapie die aan zwangere vrouwen wordt toegediend voldoende efficiënt is. Om de gevolgen voor de genezingskansen en de gezondheid van de moeder te kunnen onderzoeken is bijkomende en intense studie nodig op nationaal en internationaal vlak.

Bij de start van dit project hadden de onderzoekers geen notie van de hoeveelheid chemotherapie die de foetus bereikt. Het transport van chemotherapie doorheen de placenta werd daarom verder onderzocht in een studie bij dieren . De resultaten toonden aan dat dit transport sterk varieert per product. Sommige producten vinden nauwelijks doorgang, terwijl andere middelen in dezelfde concentratie worden teruggevonden bij de foetus als bij de moeder. Afhankelijk van de specifieke eigenschappen van de chemotherapeutica laten regelsystemen in de placenta al dan niet toe of de medicatie naar de foetus gaat. Deze bevindingen zijn mogelijk ook van toepassing op andere geneesmiddelen die niet in deze studie onderzocht werden.

Het uitgevoerde onderzoek toont aan dat de placenta voor de meeste onderzochte chemotherapeutica als filter optreedt en de foetale blootstelling aan chemotherapie vermindert. Deze vaststellingen zijn richtinggevend en geruststellend. Ze zijn echter nog te beperkt om een definitieve uitspraak te doen over de veiligheid op langere termijn.

In het derde deel werd het effect van chemotherapie op de neurologische ontwikkeling van het kind onderzocht. De onderzoekers hebben hiervoor een internationale samenwerking opgezet met de universiteiten van Nijmegen in Nederland en Praag in Tsjechië. De kinderen werden in de drie centra op dezelfde manier onderzocht, door kinderneurologen en neuropsychologen. De resultaten zijn gebaseerd op het klinisch onderzoek van 64 kinderen die tijdens de zwangerschap werden blootgesteld aan chemotherapie. De meesten van hen zijn jonger dan 6 jaar, het oudste kind is intussen 15 jaar.

Uit het onderzoek bleek dat de meeste kinderen bij de geboorte een normale conditie hadden. Ook wanneer de kinderen ouder waren, werd een leeftijdsadequate ontwikkeling vastgesteld. Specifieke testen van het geheugen en de aandachtsfuncties gaven bij hen wel een verhoging in impulsiviteit weer. Dit werd eerder al beschreven bij vroegtijdig geboren kinderen en bij kinderen die tijdens de zwangerschap blootgesteld werden aan verhoogde psychologische stress bij de moeder. Deze factoren spelen ook een rol bij vrouwen die chemotherapie toegediend krijgen tijdens de zwangerschap.

Voor het eerst werden kinderen die prenataal blootgesteld werden aan chemotherapie op een systematische wijze klinisch en neurologisch onderzocht. De eerste onderzoeksresultaten zijn geruststellend. Om meer zekerheid te krijgen over de ontwikkeling op langere termijn, moet een groter aantal kinderen onderzocht worden en zijn langere opvolgperiodes nodig. Het onderzoek wordt daarom verder uitgebreid, nationaal en internationaal.

Op basis van de nieuwe bevindingen over de farmacokinetiek engageren de onderzoekers zich ook om de efficiëntie van de bestaande therapieën voor de moeders verder te onderzoeken.

Doctoraatsverdediging ‘Chemotherapie tijdens de zwangerschap: farmacokinetiek en de impact op de foetale neurologische ontwikkeling', K.U.Leuven, 22 oktober 2009.